Sorry

Soms denk ik er niet aan. Steeds vaker eigenlijk. Want er is altijd wel iets dat al mijn aandacht opeist. Sofie die last heeft van haar tandjes of gilt omdat ze een stuk speelgoed van Sara of Bram wil hebben. Bram die supergevoelig reageert als ik een beetje boos op hem word en stampvoetend naar boven dendert. Dan is er nog Sara die hartverscheurend kan huilen als de dingen niet gaan zoals zij dat gepland had. En gezeur… daar zijn die twee oudsten allebei erg goed in.

Maar vaak is het gezellig hoor, dan spelen ze heel lief samen. Voor zo lang als het goed gaat, dat wel. Zelfs dan is het echter rennen en vliegen. Er is er altijd wel eentje die iets te drinken wilt, honger heeft of wel een handje hulp kan gebruiken. Op zijn zachtst gezegd is het druk. De tropenjaren noemen ze dat geloof ik. Eerlijk gezegd zit ik best wel eens met mijn handen in het haar. Op zo’n dag dat de chaos zich meester heeft gemaakt en ik slaafs achter de zaken aanren in een poging orde te scheppen.

Afgelopen week zijn ze alle drie ziek geweest. Om de beurt en ook tegelijk… Ik wenste dat ik zes armen had. En dat ik energie uit de kosmos kon trekken, zoveel als nodig. Of ze beter kon maken door handoplegging. Dat paracetamolletjes wonderpillen waren. En ik om slaaptekort aan te vullen een toverdrankje kon drinken. Ach, het is ongetwijfeld een bekend verhaal voor andere ouders van grote gezinnen. De lappenmand. Ziekenboeg. Of hoe je het ook noemen wilt.

Er is een ding dat ik me, na afloop van zo’n verzameling aan drukke dagen, telkens opnieuw realiseer. Dat ik er niet aan gedacht heb. Zomaar een van de kinderen vergeten ben aandacht te geven. En hoewel hij daar ongetwijfeld geen last van ondervindt, voel ik me daar op zo’n moment best schuldig over. Dan heb ik er spijt van dat ik nog geen vijf minuten de tijd heb genomen om aan ons hemelkindje te denken. Sorry…

 

PS. In juni verloot Woordspiratie een goodiebag van ‘Zes kleine voetjes’ met onder andere een gratis exemplaar van het boek! Meedoen? https://www.facebook.com/Woordspiratie of kijk op deze site in het menu bij ‘goodiebag’.

Zombies

“Mama, ik mis oma zo erg…”  vertelt een beteuterd gezichtje. Een beetje triestig staart hij voor zich uit. “Kom ze echt niet meer terug?”
“Nee, echt niet,”  antwoord ik eerlijk.
“Maar hoe kan het nou dat ze dood is?”
“Ze is gestopt met ademhalen. Daarna stopte het hart ook. En toen was ze dood.”
Bram denkt er even over na. “Als ze nu weer gaat ademhalen, kan ze dan weer levend worden?”
“Nee, lieverd, als je dood bent kun je niet meer levend worden.”
“Maar als we haar dan een beetje helpen?” zegt het jongetje dat dolgraag zijn overgrootmoeder terug wilt.
“Als je dood gaat en je wordt begraven, dan blijven er alleen botten over,”  legt Sara haar broertje vervolgens uit. “Die kunnen niet meer levend worden, anders krijg je zombies. Toch mama?”

’s Middags wil Bram per se langs o-oma’s huis lopen. Gewoon om te kijken hoe het eruit ziet. De boom in haar voortuin lijkt minder mooi dan vorig jaar, alsof ook hij verdriet heeft. Het gras staat een halve meter hoog. Bram wandelt erdoorheen, onderweg naar de achtertuin. We gaan door de groene poort die meer uit mos en paddenstoelen bestaat dan hout. Voor de achterdeur, waar wij altijd naar binnen gingen, blijft hij even staan.
“Maak je de deur open?”  zegt hij dan.
“Nee, wij hebben geen sleutel meer,” antwoord ik, “het huisje is niet van ons.”
“Oh.” Bram kijkt nieuwsgierig naar binnen, alsof hij wacht op beweging achter het glas. “Komt oma nu echt niet meer terug?”
“Nee, nooit meer.”
Samen plukken we wat boterbloemen en ander onkruid tussen het gras om in het vaasje naast o-oma’s foto te zetten. Toen ze nog leefde kreeg ze die bloemetjes ook altijd van de kinderen. En ze was daar dan zo blij mee, dat het leek alsof ze een grote bos rozen kreeg.

’s Avonds zitten we in de auto.
“Mama, wanneer moeten we naar het kerkhof gaan?” vraagt Sara.
“Dat mag iedereen zelf weten,” antwoord ik, “sommigen vinden het fijn om daar vaak naartoe te gaan en anderen niet.”
“Ik vind het niet leuk op het kerkhof.”
“Eigenlijk ga ik ook niet zo graag naar het kerkhof, o-oma is daar toch niet. Alleen haar lichaam.”
Sara, die de vorige keer liever niet meeging om de grafsteen te bekijken, geeft er een eigen draai aan: “Dus als ik niet mee wil naar het kerkhof, mag ik dat zelf weten, dan blijf ik wel bij iemand anders thuis.”
“Ja dat kan, maar als iedereen ernaartoe gaat zul je toch mee moeten,” leg ik uit. “Waarom wil je eigenlijk niet naar het kerkhof?”
“Omdat ik dan altijd denk dat er zombies komen en dat vind ik eng.”

De eerste keer

Gniffelend zit ze naast me in de auto. Met een broek aan, welteverstaan. De kenner weet dat er veel voor nodig is om Sara zo’n ding met twee pijpen aan te laten trekken, ’t is met recht een zeldzaamheid te noemen. Maar voor deze gelegenheid deed ze het met liefde. Ze was zelfs blij met haar broek, ging ermee voor de spiegel staan en draaide met haar heupen, zoals ze dat gewoon is wanneer ze iets leuks aan heeft. Achter in de auto wiebelen haar billen ongeduldig heen en weer terwijl de wind door het open autoraampje naar binnen stroomt en enkele losse plukken haar laat dansen.
“Mama, waar is de scouting eigenlijk?” vraagt Saar.
“Bij opa Wiel en oma Marleen in de buurt, daar zijn we vorige week toch langsgelopen,”  antwoord ik.
“Oh ja,” zegt ze dan. “Weet je waarom ik dat vraag?”
“Nee.”
“Nou, als we een auto-ongeluk krijgen en jij bent bijvoorbeeld dood, dan kan ik zelf naar de scouting lopen. Of rijden!”  Ze lacht er smakelijk bij.

Ik vraag haar vervolgens of ze dan niet de politie zou bellen, in plaats van gewoon te gaan wandelen. In ons gesprek komen we na verloop van tijd tot een belangrijk punt. Wanneer bel je het alarmnummer? En welk nummer moet je dan bellen? En zo leg ik mijn dochter op zesjarige leeftijd uit dat je 112 moet bellen als er iets ergs aan de hand is.
“Bijvoorbeeld als je flauw valt?” vraagt Saar.
“Nou, als ik flauw val en je krijgt me niet meer wakker, dan wel,” zeg ik.
“En als er een boef is?”
“Ja, dan ook.”
Ik controleer of ze ons adres weet, dat is toch wel een belangrijk punt, maar ze weet het perfect. Sara vindt het reuze interessant. En stoer. Ze voelt zich heel groot. Eigenlijk heb ik geen idee wanneer je je kind hierover moet voorlichten, maar het moment voelt goed.

Daarna praten we over de scouting, wat ze daar allemaal doen. En terwijl ik de auto parkeer laat zich opeens een heel klein stemmetje horen. Het geluid van een kind dat vandaag voor de allereerste keer iets gaat doen. Naar de scouting in dit geval.
“Mama, ik heb een raar gevoel in mijn buik. Eigenlijk vind ik het best spannend.”
Ik glimlach. “Ja, ik vind het ook best wel spannend,” zeg ik. “Weet je, vroeger ging ik ook hier naar de scouting.”
“Ja? Maar waarom vind je het dan spannend, dan ken je toch al iedereen?” is het logische antwoord van Saar.
“Nou, dat is al heel lang geleden…”
Ze stapt uit de auto en grijpt mijn hand. Het kind dat nooit aan een handje wil lopen omdat ze daar al veel te groot voor is. Nu houdt ze hem stevig vast.

Samen lopen we naar het scoutinggebouw. Sara’s gezichtje is bleek van de zenuwen. Wat is ze nog klein, eigenlijk. Verlegen staat ze naast me terwijl Mauro zich voorstelt. En Bambi. Ze mag ook even binnen kijken, bij de nesten. Een grote schildering van Jungle boek op de muur vangt haar aandacht. Ze is er helemaal stil van. Sara’s gegevens worden genoteerd voor als er een ongelukje zou gebeuren. En dan wordt ik geacht te vertrekken. Van mezelf mag ik blijven staan tot ze de opening hebben gedaan, iets over de kabouters. Hoe ging dat ook alweer?

Moederdag

Ik had gehoopt dat het dit jaar gemakkelijker zou zijn, maar dat is het niet. Vandaag ben ik als eerste wakker. In ons bed liggen drie kindertjes te slapen. Sofie en Bram in het midden, Sara ondersteboven, met haar hoofd bij het voeteneind, tussen onze benen. Waarom liggen ze in godsnaam allemaal bij ons in bed? Ja, dat vraag ik mij op die momenten ook weleens af. Maar het antwoord is simpel. Omdat wij zacht gekookte ouders zijn. Daarom.

Sofie slaapt standaard tussen ons in. Sinds ze de wieg ontgroeid is, weigert mevrouw te wennen aan haar ledikantje op die prachtige onbeslapen babykamer. Ondertussen slaapt Sara wisselend. Het gaat hele periodes goed, maar als er veel vrije dagen zijn wordt ze onrustig. Een nachtmerrie rond drie uur ’s nachts zorgt voor bezoek van twee knokige knietjes tegen mijn billen. En Bram? Die vindt het om een uur of zes wel welletjes en wil opstaan. Eenmaal aangekomen bij ons bed besluit hij echter toch nog een uiltje te knappen.

Al dat geduw en gedraai tussen ons in is uiteraard niet echt bevorderlijk voor de nachtrust. Of spieren. Rond half acht word ik wakker met pijn aan mijn rug. En raad eens wie er heerlijk liggen te snurken? Juist… Plagerig kriebel ik eens hier en daar. De een draait zich om en de ander zegt zachtjes “nouhouw” en dan snurken ze weer verder. Maar ik geef het niet zo snel op hoor. Mijn vingers sluipen naar Sara’s ribben en prikken links en rechts. Tot ze begint te lachen en zich omdraait. “Waarom maak je me wakker mama,” vraagt ze opgewekt. “Oh ja, het is moederdag!”. Vervolgens bewerk ik Bram tot hij ook wakker is. En Sofie volgt vanzelf. Die doet haar oogjes open om te kijken waar al die geluiden vandaan komen.

Twee versjes en knutselwerkers, knuffels en kussen. Het is best gezellig in bed. Toch mist er iets, zegt mijn gevoel. Ik mag mijn wensen doorgeven voor het ontbijt en rustig aan opstaan. Even lekker douchen zonder drukte. De bende vertrekt in pyjama naar beneden en laat mij alleen achter. Helemaal alleen met mijn gedachten. Op sommige dagen kan eenzaam denken passieve gevoelens naar de voorgrond trekken. Zoals vandaag. Dat lege plekje, daar bij ons op bed, eist dan even alle aandacht op. Want er is iemand die nooit een versje voor zal lezen of zijn knutselwerkje in papa’s kleerkast gaat verstoppen.

Ik draai de kraan open en wacht tot het water warm is. Stap in de douche en laat de druppels over mijn gezicht stromen. Druppels die de tranen meenemen het afvoerputje in. Hoe meer ik er laat verdwijnen, hoe meer nieuwe er opwellen. Tot ze op zijn. Een dag zoals vandaag is en blijft moeilijk. Misschien wel voor altijd…

Mijntrein

Voor Bram is deze oude tuf tuf echt de aller aller coolste op de hele aardbol. “De uitgestorven trein” op het Wilhelminaplein. Het mijntreintje. Een stukje Heerlense geschiedenis, maar voor onze zoon ook een bron van fantastische verhalen. Je zou het zelfs een mysterie kunnen noemen, in Bram’s bewoordingen, hoe die trein daar terecht komt.

Dan komt ‘ie aanrijden over de spoorwegovergang op zijn fiets. En zodra de mijntrein zichtbaar is, geeft Bram wat extra gas. Er wordt geracet. Achter een muur van grijze bloembakken blijft de rode racefiets achter. Helemaal alleen. Want Bram wil zijn grote treinenvriend niet laten zien dat hij, wat real-time vervoer betreft, wellicht toch een ander voertuig verkiest. De roestige oude tuffert staat namelijk elke keer weer, geduldig te wachten op zijn bezoek. Op dat extra beetje aandacht, die ene bijzondere blik, die anderen slechts een enkele maal te voorschijn toveren, maar die voor Bram vanzelfsprekend is. Voor hem is en blijft die trein altijd even magisch als de eerste keer. Lees verder

Na-aapje

Heupwiegend en met haar handjes in de lucht staat ze voor me. De vingertoppen van haar duim, wijs- en middelvinger tegen elkaar gedrukt, alsof ze twee dikke bloeiende bloemknoppen vasthoudt die ze laat dansen. Het zijn ongetwijfeld roze rozen. En terwijl de verticale streepjes op haar rokje zich in alle bochten wringen om het wiebelende luierkontje bij te benen, tovert haar gezichtje een brede, maar ingespannen glimlach te voorschijn. Dat is namelijk best lastig als je intussen ook nog een liedje moet ‘zingen’. Sofie kent maar één nummer, waarbij ze geluid maakt door haar tongetje heen en weer te bewegen in haar mond, terwijl ze een lang ‘eueueu’ klank uitstoot. Wat je dan krijgt is ongeveer ‘eudel dudeleudelde’. Een levenslied dat ze helemaal zelf bedacht heeft. Lees verder

Bedtijd

“Het is me hier toch één rommeltje,” zegt Saar met opperbeste prinsessenstem. “Ik zal maar gauw gaan opruimen.”
“Nee jongens, we doen nu de pyjama aan,” vindt mama.
“Ehm, u bent de koningin hoor,” zegt de prinses terwijl ze de lakens van het bed recht strijkt.
“Oh, ik bedoel, doet u uw nachtkledij maar vlug aan prinses,” zegt mama met koninginnen stem. Die met de aardappel in de keel, om precies te zijn.
“Nee, néé, ik bèn geen prinses, ik ben uw dienaar,” vindt Saar en ze tilt haar roze rokje op met haar vingertoppen om een bescheiden buiging te maken. “En ik heb liever niet dat u mijn achterwerk ziet terwijl ik mij omkleed.”
De koningin moet er hardop om lachen, tot ongenoegen van de dienaarprinses. “Waarom lacht u nou, áchterwerk is een héél net woord. Zo spreekt men in het koningshuis.” Lees verder